Hoogbegaafdheid

Het Triadisch Interdependentiemodel van Renzulli en Mönks kenmerkt hoogbegaafdheid als het hebben van een IQ van 130 of hoger én een hoge mate van creativiteit en een hoge mate van motivatie. Dit laatste komt er echter niet altijd uit bij kinderen. Dit kan wel naar voren komen bij onderwerpen waar zij gepassioneerd over zijn. Hoogbegaafdheid is dus niet hetzelfde als het hebben van een hoge intelligentie. Ongeveer 2,5% van de kinderen/volwassenen is hoogbegaafd.

Hoogbegaafdheid kenmerkt zich niet alleen door sneller denken, slim zijn of goed kunnen onthouden. Hoogbegaafde kinderen denken ook echt op een andere manier. Ze verwerken informatie anders, waardoor ze ook op een andere manier tegen problemen aankijken, andere ideeën kunnen hebben of oplossingen kunnen bedenken.

Een aantal kenmerken van hoogbegaafde kinderen zijn:

  • snel van begrip

  • verbaal sterk

  • goed geheugen

  • grote algemene interesses

  • regelmatig in discussie gaan en dingen niet zomaar aannemen

  • groot analytisch inzicht en probleemoplossend vermogen

  • creatief

  • groot rechtvaardigheidsgevoel

  • intens beleven van emoties,

  • perfectionistische instelling

  • grote behoefte aan autonomie

  • op zichzelf kunnen reflecteren

Echter is er veel verschil in kinderen met kenmerken van hoogbegaafdheid. Dé hoogbegaafde leerling bestaat niet. Er worden door George Betts en Maureen Neihart zes profielen van hoogbegaafde kinderen omschreven:

  1. Het zelfsturende autonome kind: dit kind werkt zelfstandig en is sociaal. Het kind werkt enthousiast en heeft weinig bevestiging nodig, neemt risico en is reactief.

  2. Het aangepast succesvolle kind: dit kind behaalt goede prestaties. Het kind is perfectionistisch ingesteld en vermijdt risico.

  3. Het uitdagend creatieve kind: dit kind is creatief en competitief. Het kind stelt regels ter discussie en corrigeert de leerkracht. Het komt op voor eigen opvattingen.

  4. Het onderduikende kind: dit kind ontkent zijn begaafdheid. Het kind is faalangstig en vermijdt uitdaging. Het zoekt sociale acceptatie en wisselt in vriendschappen.

  5. Het dubbel bijzondere kind: dit kind laat kenmerken zien van leer en/of gedragsproblemen. Het kind heeft sterk uiteenlopende resultaten op onderdelen van een intelligentietest.

  6. Het risico-kind (drop-out): dit kind is het vertrouwen in zichzelf en school kwijtgeraakt. Het kind werkt inconsistent en maakt taken niet af. De schooluitval neemt toe.


Het zelfsturend autonome kind komt tot bloei, bij de andere vijf is de ontwikkeling (nog) niet optimaal.

Hoogbegaafdheid kan voor moeilijkheden zorgen. Zo kunnen kinderen sneller verveeld zijn op school of in sociale contacten. Het kan ook zijn dat een hoogbegaafd kind en de manier van denken niet geaccepteerd worden, omdat het kind bijvoorbeeld ‘bazig’ overkomt. Er kan daarnaast sprake zijn van hoogsensitiviteit, wat inhoudt dat je extra gevoelig bent voor indrukken uit de omgeving en vanuit jezelf (zoals geluiden, beelden, onrecht of emoties). Soms kunnen hoogbegaafde kinderen wat extra begeleiding gebruiken. Bijvoorbeeld op het gebied van sociaal-emotioneel functioneren of executieve functies. Hierbij kan gedacht worden aan ondersteuning op het gebied van het ontwikkelen van een groeimindset en het fouten durven maken. Maar ook het plannen, concentreren of andere aspecten waar het kind meer moeite mee kan hebben, kan ondersteuning behoeven.

Gebruikte bron: www.wijleren.nl